RSI aan vervanging toe
RSI heeft in de praktijk een groot aantal nadelen. Voor patiënten heeft RSI een
negatieve lading. Daarbij schept de term verwarring: het gaat veelal niet om een
'injury'. Bovendien kan niet alleen 'repetitive strain' maar ook statische
belasting de klachten veroorzaken. Naast RSI worden nog vele andere termen
gebruikt voor arm-, nek- en/of schouderklachten en zijn vele definities en
indelingen in omloop.
Het heeft geleid tot spraakverwarring onder zowel behandelaars als patiënten.
Het spreken van dezelfde taal is een eerste vereiste voor goede samenwerking.
Maar ook voor het vergelijken van wetenschappelijk onderzoek is eenduidige taal
van belang. Kortom, RSI is toe aan een definitieve vervanging.
R.S.I. bestaat niet meer als term en diagnose. Nederlandse artsen en
paramedici hebben dit onlangs besloten althans de term, een verzamelbegrip voor
een groot aantal arm, nek en schouderklachten, niet langer te gebruiken. Een
nieuw begrippenkader is afgesproken door elf beroepsgroepen op een congres in
Ede. Afgesproken is nu om voortaan uit te gaan van een model dat behandelaars in
staat stelt klachten in te delen in specifieke- en aspecifieke klachten. Omdat
er 23 specifieke arm, nek, en schouderaandoeningen bekend zijn, worden die
kwalen gewoon bij hun eigen naam genoemd. Aspecifieke klachten, dat zijn
klachten waarvan de oorzaak niet bekend is en waar de medische wereld ook geen
oplossing voor heeft, worden niet meer als R.S.I. benoemd: er wordt simpelweg
gezegd dat ze niet thuis te brengen zijn. Aldus bron: het Brabantsdagblad donderdag 07-10-2004.
Wat hiervoor staat mag wat mij betreft kritisch bekeken worden, specifiek en
aspecifieke klachten hebben in mijn gedachte een andere lading en verklaring. Discussiestof.
Om toch het begrip RSI er naast te leggen,
reden het blijkt nog steeds hardnekkig gebruikt te worden in 2007, vooral op het
werkvloer.
R.S.I. is geen diagnose, maar een verzamelnaam voor aandoeningen aan nek, schouder, arm en hand die worden veroorzaakt door herhalende bewegingen of juist te lang in een houding
blijven, repetitive strain alleen moet je dan vergeten. Door frequent herhalende bewegingen of juist de statische houding, treedt er een verminderde doorbloeding van de spieren en pezen op, waardoor er lokaal schade ontstaat. aspecifieke klachten als vermoeidheid, prikkeling, pijn van de nek-, schouder- en armregio vormen de grootste groep klachten onder de
R.S.I.
patiënten.
Naast aspecifieke klachten heb je ook nog gespecificeerde aandoeningen die onder
de noemer R.S.I. vallen. Een tension neck syndroom (stijve nek), een tennis en golfers
elleboog, het carpaal tunnel syndroom.
De term 'muisarm' is verwarrend, als je ervan uitgaat dat er over het algemeen gesproken wordt van een arbeidsgebonden aandoeningen aan de bovenste extremiteiten (vlgs. Nederlandse centrum voor beroepsziekten). De diversiteit van de verschijningsvormen van R.S.I. wordt daarmee duidelijk.
Muisarm, impliceert alsof er sprake is van klachten aan de arm door het gebruik van de muis. Dit geeft een te beperkt beeld van het probleem
R.S.I.
____________________________________________________________________________________
C.A.N.S. = Complaints Arm Neck
Shoulder, aandoeningen uitgebreid omschreven
Het
CANS model
Wat zijn de symptomen van een Triggerfinger? Waar
zit de pijn bij het Radiaal tunnelsyndroom? Is Oarsman’s wrist hetzelfde als
een roeierspols? Kan ik blijven werken met een Frozen shoulder? Het antwoord is
nu te vinden op werkendlichaam.nl.
Op de site is vanaf nu een duidelijke beschrijving te vinden van de 23
specifieke CANS aandoeningen. Nederlandse behandelaars hebben in 2004 afgesproken
voortaan de terminolgie volgens het CANS-model te gebruiken in plaats van RSI.
De reden hiervoor was de onduidelijkheid en negatieve associaties die met de
term RSI samenhingen. CANS staat voor ‘complaints of the arm, neck and/or
shoulder’, oftewel klachten van de arm, nek en/of schouder. CANS is een
omschrijving van een klachtencomplex. Bekende specifieke aandoeningen zijn de
tenniselleboog, het carpaal tunnel syndroom en het rotator cuff syndroom. Recent
is de ontwikkeling van het CANS-model ook wetenschappelijk gepubliceerd
(Huisstede et al. Journal of Occupational and Environmental Medicine).
Vele fysiotherapeuten en andere behandelaars hebben de 23 CANS aandoeningen
opgenomen in hun voorlichtingsmateriaal zoals websites. Tot nu toe ontbrak
echter een duidelijke beschrijving van de aandoeningen.
Het CANS model is in 2004 ontwikkeld door het Kenniscentrum Arbeid en Klachten
Bewegingsapparaat. In het CANS model wordt stap voor stap gekeken welke
specifieke klachten bij een bepaalde aandoening passen. Op deze manier spreken
behandelaars dezelfde taal. Dit is belangrijk omdat sneller duidelijk kan worden
wat er aan de hand is. Zo kan men direct met de juiste behandeling starten.
Bron: Zorgkrant
Het CANS model. CANS
is een omschrijving van een klachtencomplex. Het is GEEN
diagnose.
Het
CANS model
Het CANS model laat zien dat de klachten in te
delen zijn in specifieke en a-specifieke CANS.
Er is overeengekomen de klachtengroep voortaan aan te duiden als CANS
(Complaints of the Arm, Neck and/or Shoulder). Volgens de daarbij opgestelde
definitie zijn dit klachten van het bewegingsapparaat in arm, nek en/of
schouder, die niet veroorzaakt worden door een acuut trauma of een
systemische aandoening. Het CANS model laat zien dat de klachten in te delen
zijn in specifieke en a-specifieke CANS. Een aandoening is specifiek als deze
te diagnosticeren is. Dit betekent dat op basis van onderscheidende
kenmerken de diagnose reproduceerbaar gesteld kan worden. Op deze wijze heeft
het panel 23 aandoeningen als specifieke CANS benoemd*. Ze worden als
afzonderlijke aandoeningen benaderd en behandeld en dus niet als één grote
groep van klachten gezien. Als een aandoening niet in het rijtje van de 23
als specifieke CANS voorkomt, wordt gesproken van a-specifieke CANS.
Voor wie?
Het CANS model is bedoeld voor alle medici en paramedici die patiënten
met klachten in de arm, nek en/of schouderregio behandelen en voor patiënten
met deze klachten.
Betekenis voor de praktijk
Het containerbegrip RSI kan worden losgelaten. Door het gebruik van dezelfde
terminologie en indeling zullen behandelaars elkaar beter begrijpen en verbetert
de multidisciplinaire samenwerking. De patiënt zal hier de voordelen van
ervaren: door betere communicatie kan sneller de juiste behandeling worden
ingezet. De consensus is hiertoe de eerste stap.
* specifieke CANS:
01 Bicepspees
tendinose
De
bicepsspier loopt van de bovenkant van de schouder naar de onderarm. Als men
deze spier aanspant, ontstaan de zogenaamde 'spierballen'. (Sobotta Atlas)
02 Bursitiden
rond de elleboog (Slijmbeursontsteking
rond de elleboog)
Ellebooggewricht
(gebogen) (Sobotta Atlas)
03 Carpaal
tunnelsyndroom
Slagaders
en zenuwen in de handpalm. In het midden de (geel) nervus medianus. (Sobotta
Atlas)
04 Cervicale
hernia
R öntgenfoto
van de nekwervels. (Sobotta Atlas)
05 Cubitaal
tunnelsyndroom
De
nervus ulnaris loopt via de oksel naar de arm (op deze afbeelding de gele zenuw
uiterst rechts). (Sobotta)
06 M.
Dupuytren
Spieren
van de hand (Sobotta Atlas)
07 Epicondylitis
lateralis cubiti = de tenniselleboog

08 Epicondylitis
medialis cubiti = de golfers elbow
09 Frozen
shoulder
Gewrichtskapsel
van de schouder. (Sobotta atlas)
10 Guyon
kanaalsyndroom
Hand
met uiterst linksboven aan de pinkzijde de nervus ulnaris (zenuw) (Sobotta
Atlas)
11 Instabiliteit
van de schouder

12 Instabiliteit
van de elleboog
Doorsnede
van het linker ellebooggewricht (Sobotta Atlas)
13 Scheur in het
labrum glenoidale
Dwarsdoorsnede
van het schoudergewricht. De rand rondom het blauwe vlakje vormt het labrum
glenoïdale. Dit is een rand van zacht materiaal dat bestaat uit kraakbeen en
bindweefsel. (Sobotta Atlas)
14 Lokale
artritis (geen RA) in een gewricht van de bovenste extremiteit schouder of arm
De
gewrichten van de hand. (Sobotta)
15 Oarsman's
wrist = roeierspols
Pols
met peesscheden. De ontsteking zit op de plek waar de middelste pees (blauwgrijs
vlak) afbuigt naar links. (Sobotta Atlas)
16 Radiaal
tunnelsyndroom
De
radiale zenuw bevindt zich in de lichtblauwe vlakken. (Sobotta)
17 Raynaud's
fenomeen
Bij
Raynaud is de doorbloeding naar bijvoorbeeld de vingers niet goed (José Carlos
Pereira)
18 Rotator cuff
scheuren
Schouder
met schouderspieren (Sobotta Atlas)
19 Subacromiaal
impingementsyndroom (rotator cuff syndroom, tendinosen en
bursitiden rond de schouder)
Röntgenfoto
van de schouderregio (Patricia Schippert)
20 Sudeckse
dystrofie (Complex Regionaal Pijn Syndroom type I )
21 Suprascapulaire
compressie
Het
schouderblad met middenboven een inkeping in het bot: de incisura scapulae. Als
de zenuw die hier doorheen loopt (de suprascapulaire zenuw) bekneld zit, spreken
we van suprascapulaire compressie.(Sobotta
Atlas)
22 Triggerfinger
Peesscheden
van de hand en vingers (Sobotta Atlas)
23 Ziekte van De
Quervain
24 Whiplash
Een
whiplash kan nekpijn tot gevolg hebben (Fanelie Rosier)
25 Schouder
uit de kom
Wat zijn de symptomen van een Triggerfinger? Waar
zit de pijn bij het Radiaal tunnelsyndroom? Is Oarsman’s wrist hetzelfde als
een roeierspols? Kan ik blijven werken met een Frozen shoulder? Het antwoord is
nu te vinden op werkendlichaam.nl.
Bron:Fysioforum
Het
CANS model
Bron: Kenniscentrum
AKB
__________________________________________________________________________________
!! Goed beseffend dat RSI een containerbegrip is, een totaal benadering
die niet juist het feitelijke situatie weergeeft maar wel een begrip, blijft het
handig een aantal indelingen en ideeën te handhaven die ook algemeen aardig
kunnen "scoren" en therapeutisch praktisch handig zijn en goed
overdraagbaar die ook de lokale onderverdeling altijd een rol zullen spelen,
althans in mijn visie!!
Bijzonder is dat ook dat de landelijke RSI
vereniging zich zo blijft noemen en geenszins van plan is een andere naam te gaan voeren.
We kunnen dus wel als "werkers in het veld" voor ons zelf CANS in het
leven roepen, helderheid waar we het over hebben en communicatief prima, maar de
patiënten zullen het begrip RSI wel blijven gebruiken.
Tussen door even praktisch. Checklist voor een goede houding achter de computer:
- zit ik rechtop?
- heb ik voldoende bewegingsvrijheid?
- kan ik mijn benen fatsoenlijk strekken onder het werkblad?
- kunnen mijn voeten plat op de grond staan?
- zijn mijn schouders en armen ontspannen?
- liggen mijn armen en polsen horizontaal en zijn ze ondersteund door werkblad of armleuningen?
- bevinden mijn ellebogen zich langs mijn lichaam?
- staan mijn hoofd en nek recht als ik naar het beeldscherm kijk?
- staan beeldscherm en toetsenbord (of muis) recht voor me?
- valt er geen vervelend licht op mijn beeldscherm/
- zit ik niet langer dan twee uur achter mijn beeldscherm?
- neem ik een andere houding aan, minstens 5 minuten op een half uur.
|